Al meerdere jaren onderzoekt dsm-firmenich maïskuilen in de Benelux om inzicht te krijgen in de aanwezigheid en de impact van mycotoxinen bij melkvee en melkgeiten. De resultaten van het oogstjaar 2024 toonden aan dat meer dan de helft van de maïskuilen (52%) in de categorie gemiddeld tot hoog risico viel. De resultaten van oogstjaar 2025 geven een meer genuanceerd beeld, maar nog steeds bevindt ruim één op de drie onderzochte kuilen zich in de categorie gemiddeld tot hoog risico. Hoewel dit een duidelijke daling is ten opzichte van 2024, blijft het aandeel risicovolle kuilen substantieel.
In grote delen van de Benelux vormt maïskuil één van de hoofdcomponenten in het rantsoen. Wanneer zo'n maïskuil een hoge mycotoxine belasting laat noteren, kan dat langdurige en/of sluimerende effecten hebben op de diergezondheid en de productie.
Tabel 1. Mycotoxine waarden maïskuil Benelux, oogst najaar 2025 (in ppb, basis 100% DS)
.png)
Tabel 2. Risico niveau Fusarium mycotoxines in maïskuil (bij dagopname 8 kg DS maïskuil)
.png)
LOD = onder de detectielimiet
Het risico niveau is enkel gebaseerd op maïskuil in het rantsoen. Ook andere voercomponenten kunnen mycotoxines bevatten!
Trend over meerdere jaren
De ontwikkeling over de afgelopen jaren laat in onderstaande grafiek een zeer grillig beeld zien.
De variatie benadrukt nog eens dat de vorming van mycotoxinen sterk afhankelijk is van klimaatomstandigheden en teeltfactoren en dus jaarlijks opnieuw om aandacht vraagt. Ook toont de grafiek aan dat de aanwezigheid van mycotoxinen géén uitzonderlijk maar juist een structureel probleem betreft. Zelfs in jaren met een lagere gemiddelde contaminatie (2025) blijft een aanzienlijk deel van de kuilen risicovol.
Grafiek: Vergelijking contaminatie mycotoxinen in maïs over verschillende oogstjaren - % kuilen in gemiddeld & hoog risico categorie
.png)
Analyseresultaten 2025
Sinds 2024 is bewust gekozen voor een bredere analyse van het DON-toxine. Naast Zearalenone (ZEA), HT-2 toxine en DON worden er ook andere DON-gerelateerde Fusarium toxinen en metabolieten meegenomen, horend tot de B-Trichothecenen groep: DON-3-GLUC, 3-AC-DON, 15-AC-DON en NIV. Ook deze metabolieten kunnen in het dier vrijkomen en dragen bij aan de toxiciteit. Wie enkel het DON toxine laat analyseren, onderschat het risico.
De belangrijkste bijdrage aan het mycotoxinen risico in maïskuilen in de Benelux wordt geleverd door de B-Trichothecenen (waaronder DON) en Zearalenone (ZEA).
- De mycotoxinen van de B-Trichothecenen groep verstoren de eiwitsynthese in het dier en hebben daardoor impact op snel delende lichaamscellen. In de praktijk kan dit leiden tot een verminderde voeropname, een minder goede penswerking en pensgezondheid, een verminderde vertering en voederbenutting, een minder goede weerstand en uiteindelijk ook een verlaagde melkproductie.
- Zearalenone is een veel voorkomend mycotoxine afkomstig van Fusarium schimmels en staat vooral bekend om zijn oestrogene effecten bij rundvee. In de praktijk wordt daarom vaak gefocust op vruchtbaarheidsproblemen: een slechtere vruchtbaarheid, minder zichtbare tocht of bronstigheid, vroegtijdig verlies van de dracht en/of minder goede inseminatieresultaten...
- Bij herkauwers wrdt ZEA gedeeltelijk afgebroken door de pensmicroben. Hierbij ontstaat onder meer α-ZEA, dat zelfs een sterkere estrogene werking kan hebben dan ZEA. Op die manier kan de α-ZEA metaboliet zelfs nog tot grotere vruchtbaarheidsproblemen leiden.
- Minder bekend is dat ZEA ok een directe invloed heeft op de penswerking en de pensfermentatie. Dit effect wrdt vaak onderschat, omdat de focus van ZEA traditioneel vooral op vruchtbaarheid ligt. Recente studies tonen echter aan dat dit beeld té beperkt is. Zo verstoort ZEA de activiteit van de pensmicrobiota en daarmee ook de pensfermentatie (pens pH). Het toxine kan daarnaast ook een milde koortsreactie veroorzaken.
- De effecten van ZEA gaan dus veel verder dan het verstren van de vruchtbaarheid... Het risico is het grootst bij rantsoenen met veel krachtvoeder, subklinische acidose en bij een wisselende ruwvoederkwaliteit.
Co-contaminatie en synergie: het onderschatte risico
Mycotoxinen komen zelden alleen voor. In veel kuilen is sprake van een gelijktijdige aanwezigheid of co-contaminatie met meerdere toxinen. Zo bevatte 80% van de onderzochte kuilen minstens 2 mycotoxinen.
Co-contaminatie met verschillende mycotoxinen kan leiden tot:
- een onderschatting van het risico bij enkelvoudige analysen.
- versterkte negatieve effecten (synergie)
- moeilijker herkenbare praktijkproblemen
Wat te doen tegen (Fusarium) mycotoxinen?
Niet alle mycotoxinen zijn eenvoudig onschadelijk te maken door binding aan kleimineralen waaronder bv. bentoniet. Met name de Trichothecenen en ZEA zijn moleculair té complex voor klassieke binders.
Om deze mycotoxinen te de-activeren, is een biotransformatie noodzakelijk, waarbij de toxinen enzymatisch worden omgezet in niet-toxische verbindingen.
Een geschikte oplossing voor rundvee is het toevoegen van Mycofix Plus 3.E aan het rantsoen. De dosering is afhankelijk van de diergroep en de mate van mycotoxinenbelasting.
Conclusie
De daling van het aantal maïskuilen met een gemiddeld tot hoog risico van 52% (2024) naar 36% (2025) lijkt positief, maar toch blijft de boodschap helder:
- Mycotoxinen vormen ook in een eerder "normaal" jaar een structureel risico
- De variatie tussen jaren is groot
- Monitoring en preventie blijven essentieel.
Voor veehouders en adviseurs betekent dit dat actief sturen op rantsoenkwaliteit en mycotoxinen management onmisbaar is voor de diergezondheid én het bedrijfsresultaat. Enkel kijken naar "zichtbare problemen" is onvoldoende. Het analyseren van mycotoxinen in maïskuil en andere ruwvoeders blijft hierbij een belangrijk aandachtspunt!