Mycotoxinen behoren tot de grootste uitdagingen in de wereldwijde landbouwproductie. Het zijn natuurlijke stofwisselingsproducten van schimmels die voer en voedercomponenten kunnen besmetten en daardoor de diergezondheid, prestaties en voedselveiligheid negatief beïnvloeden. Er doen echter veel mythes de ronde over mycotoxinen bij rundvee, zoals de bewering dat herkauwers volledig beschermd zijn tegen mycotoxinen door hun pens. Dit artikel vat de huidige wetenschappelijke inzichten samen over het voorkomen en de effecten van mycotoxinen bij melkkoeien, evenals de beheersstrategieën om ermee om te gaan.
 
Dr. Dian Schatzmayr, dsm-firmenich, Animal Nutrition & Health Research Center Tulln, Oostenrijk
 
Het cijfer dat decennialang door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) werd aangehaald – namelijk dat ongeveer 25% van alle landbouwproducten besmet is met mycotoxinen – wordt inmiddels als grotendeels verouderd beschouwd. In werkelijkheid ligt dit hoger. Recente studies tonen aan dat in 60 tot 80% van de geanalyseerde monsters ten minste één mycotoxine wordt aangetroffen. Dit is enerzijds te danken aan de beschikbaarheid van verbeterde analysemethoden (bijvoorbeeld vloeistofchromatografie gekoppeld aan tandem-massaspectrometrie) en anderzijds aan de effecten van klimaatverandering. Deze laatste beïnvloedt het wereldwijde voorkomen van mycotoxinen door veranderingen in temperatuur- en vochtigheidspatronen, waardoor de groei van toxineproducerende schimmels wordt bevorderd of deze naar nieuwe regio’s worden verplaatst. Extreme weersomstandigheden zoals hittegolven, droogte of hevige neerslag verhogen bovendien stress bij planten, waardoor ze gevoeliger worden voor schimmelinfecties. Als gevolg hiervan kunnen zowel de frequentie als de concentratie van bepaalde mycotoxinen wereldwijd toenemen en geografisch verschuiven.
 
Mycotoxinen – een wereldwijd fenomeen
De “World Mycotoxin Survey”, uitgevoerd door dsm-firmenich – ’s werelds grootste langlopende studie naar het voorkomen van mycotoxinen – bevestigt jaar na jaar de urgentie van het probleem. In 2025 werden meer dan 25.600 monsters uit meer dan 95 landen geanalyseerd. Het resultaat was dat in meer dan 95% van deze monsters ten minste één mycotoxine werd aangetroffen, en in de meerderheid (83%) zelfs meerdere tegelijkertijd.
 
Deze gelijktijdige aanwezigheid van verschillende mycotoxinen kan zogenoemde synergetische effecten veroorzaken, die aanzienlijk ernstiger zijn voor het dier dan de som van de effecten van afzonderlijke toxinen.
Van bijzonder belang voor rundveevoer zijn de Fusarium-toxinen deoxynivalenol (DON), zearalenon (ZEN) en fumonisinen (FUM), die al op het veld worden gevormd en aanwezig zijn. In Europa bedroeg de prevalentie in maïsmonsters van de oogst 2024 respectievelijk 96% voor DON, 88% voor ZEN en 62% voor FUM. Ook T‑2-toxine werd regelmatig aangetroffen (62%).
Een zeer vergelijkbaar beeld werd gevonden in maïskuil en rundvee-krachtvoer (Figuur 2). In Europa vertoonde 100% van deze monsters een meervoudige contaminatie. Onderzoeksresultaten voor maïskuilen van de oogst 2025 laten zien dat het voorkomen van mycotoxinen in dezelfde orde van grootte ligt als in het voorgaande jaar (Figuur 2). Uit figuur 1 valt op te maken dat deze prevalentie voor de maiskuilen in de Benelux nog hoger ligt dan het Europese gemiddelde.
Deze cijfers tonen aan dat mycotoxinen geen regionaal, maar een wereldwijd probleem vormen dat ook de Europese rundveehouderij in belangrijke mate treft.
 

Figuur 1 Resultaten maiskuil project 2025

 

Mythes en realiteit in de rundveehouderij
Een veelvoorkomende misvatting is dat herkauwers volledig beschermd zijn tegen mycotoxinen door hun pens. Hoewel de pensmicroflora onder optimale omstandigheden inderdaad bepaalde toxinen kan afbreken – zoals ochratoxine A of deoxynivalenol – kunnen andere mycotoxinen, zoals aflatoxinen of zearalenon, juist leiden tot nog toxischer metabolieten. Zo is het ZEN-metaboliet α‑zearalenol ongeveer 60 keer sterker oestrogeen dan zearalenon zelf. Oestrogene effecten kunnen verschillende stoornissen in het voortplantingssysteem van koeien veroorzaken. De binding van mycotoxinemetabolieten aan oestrogeenreceptoren leidt tot hormonale ontregeling, wat zich kan uiten in verlengde of verkorte cycluslengtes, stille tocht, verminderde bevruchtingspercentages en een toename van ovariumcysten. Daarnaast kunnen veranderingen in het vaginale slijmvlies, een verhoogde uitvloei en een algemene verslechtering van de vruchtbaarheid optreden, wat uiteindelijk leidt tot economisch significante reproductieproblemen binnen de veestapel.
 

Bovendien hangt de ontgiftingscapaciteit van de pens af van vele factoren, waaronder de algemene gezondheid van de koe, de voeropname (verblijftijd in de pens), de pens-pH en de invloed daarvan op de pensmicrobiota (bijvoorbeeld de ontwikkeling van SARA – subacute pensacidose), stress (bijvoorbeeld hittestress) en de directe effecten van mycotoxinen op pensbacteriën, waaronder antibacteriële effecten.

Wetenschappelijke studies tonen aan dat deoxynivalenol onder optimale omstandigheden grotendeels in de pens kan worden ontgift. Onder SARA-omstandigheden (dat wil zeggen wanneer het dier lijdt aan subacute pensacidose) wordt deze omzetting echter aanzienlijk vertraagd, waardoor mycotoxinen de darm kunnen bereiken . Daar verstoren ze de darmmicrobiota, verminderen ze de verteerbaarheid en de opname van nutriënten, en beschadigen ze de darmbarrière, waardoor ziekteverwekkers en ongewenste stoffen zoals toxinen in de bloedbaan kunnen terechtkomen. Ze verzwakken bovendien het immuunsysteem van het dier.

De gevolgen zijn veelzijdig (Figuur 3): een verminderde gezondheid (pens, darmen, lever, uier), een lagere voeropname en benutting, een lagere melk- en vleesproductie, evenals negatieve effecten op de vruchtbaarheid en de immuunrespons.

Figuur 2: Europese prevalentie van Fusarium-toxinen in maïskuil en rundvee krachtvoer

 

Fig. 3: Effect van mycotoxinen in rundvee

Afkortingen:  
Afla: aflatoxinen
DON: deoxynivalenol  
FUM: fumonisine
HT-2: HT-2 toxine  
NIV: nivalenol  
T-2: T-2 toxine 

 

Controlstrategieën: geen one-size-fits-all oplossing
Voor een succesvolle beheersing van mycotoxinen bestaat geen “one-size-fits-all” oplossing! Verschillende mycotoxinen hebben verschillende structuren en werkingsmechanismen en vereisen daarom specifieke ontgiftingsstrategieën.
 
Adsorptie- binding van mycotoxinen
De meest bekende methode voor het beheersen van mycotoxinen is het gebruik van bindmiddelen. Deze methode werkt zeer goed voor aflatoxinen en moederkorenalkaloïden, maar is grotendeels ineffectief tegen andere relevante mycotoxinen, met name Fusarium-toxinen (DON, ZEN, FUM).
 
Sinds 2013 is een bentoniet (Mycofix® Secure) in de EU goedgekeurd als aflatoxinebinder. Met een bindingspercentage van ten minste 90% onder gestandaardiseerde testomstandigheden voldoet dit bindmiddel aan de eisen voor effectieve ontgifting bij dieren. Voor DON is echter nog geen effectief bindmiddel geïdentificeerd. Een veelbelovende strategie voor niet-adsorbeerbare mycotoxinen is de enzymatische omzetting van toxische stoffen in niet-toxische metabolieten. Enzymen bieden een veelbelovende manier om mycotoxinen selectief en onomkeerbaar te neutraliseren, zonder de beschikbaarheid van nutriënten in het voer te beïnvloeden. De weg van het identificeren van een natuurlijk voorkomend enzym met mycotoxine-detoxificerende eigenschappen tot het op de markt brengen van een enzymproduct als voederadditief is echter lang. Een effectief en veilig enzym moet specifiek werken tegen het doelmycotoxine, een onomkeerbare reactie katalyseren, onschadelijke afbraakproducten vormen, stabiel zijn in voer en snel actief worden in het maagdarmkanaal om te voorkomen dat mycotoxinen in de bloedbaan worden opgenomen.
 
Binnen de Europese Unie is het aantonen van effectiviteit met behulp van specifieke mycotoxine-biomarkers een voorwaarde voor de wettelijke goedkeuring van een mycotoxine-inactiverend voederadditief. Onlangs zijn twee enzymen ontwikkeld voor de inactivatie van fumonisinen en zearalenon.
 
• Een fumonisine-esterase die fumonisinen omzet in gehydrolyseerde, niet-toxische derivaten. In voederproeven werd na toediening van het enzym een significante verlaging van de fumonisinegehalten in de pens en de feces aangetoond. Detectie van het overeenkomstige hydrolyseproduct van fumonisine bevestigde bovendien het specifieke werkingsmechanisme.
 
• Een zearalenon-hydrolase die het oestrogene effect van ZEN omkeert door de lactonring van dit mycotoxine te splitsen. Studies bij melkkoeien toonden een dosisafhankelijke vermindering van de opname van ZEN in de bloedbaan aan; het niet-toxische, gehydrolyseerde metaboliet van het toxine werd aangetroffen in de pens en de feces. Het enzym verminderde daarmee de biologische beschikbaarheid van ZEN en liet tevens zijn specifieke ontgiftende werking zien.
Beide enzymen bevinden zich momenteel in de EU-goedkeuringsprocedure voor gebruik bij rundvee.
 
Conclusie
Mycotoxinen vormen een ernstig risico voor de rundveehouderij. De veronderstelling dat herkauwers voldoende beschermd zijn door hun pens is onjuist. Klimaatverandering en mondiale handelsstromen verergeren het probleem verder. Het integreren van mycotoxinemanagement in de dagelijkse voederpraktijk is essentieel voor de duurzame gezondheid van dieren en de economische stabiliteit van melkveebedrijven. In de praktijk betekent dit:
• Regelmatige voeranalyses (bij voorkeur met LC-MS/MS)
• Risicobeoordeling en -management op basis van actuele analysecijfers
• Gericht gebruik van mycotoxinebinders (met name tegen aflatoxinen)
• Innovatieve enzymoplossingen voor de detoxificatie van Fusarium-toxinen
 
Alleen een gecombineerde aanpak kan de diergezondheid, prestaties en voedselveiligheid duurzaam beschermen.