In de diervoederwereld lijkt de "kopertijd" met verhoogde gehalten aan koper in varkensvoer definitief op zijn retour. Na het verbieden van farmaceutisch hoge zinkgehalten in biggenvoer, dicteert een nieuwe Europese wet (EU 2018/1039) een stapsgewijze verlaging van de maximaal toegestane kopergehalten, waarmee de contouren van een nieuw tijdperk stilaan zichtbaar worden. Zo mag biggenvoer voortaan tot 4 weken na spenen nog maximum 150 ppm koper bevatten - ongeacht de speenleeftijd - maar in de volgende fase tot 8 weken na spenen moet dat gehalte zelfs verder dalen tot maximum 100 ppm. Rest nu nog de vraag welke vorm van koper het meest aangewezen is in de nieuwe biggenvoeders die ten laatste vanaf 13/8/2019 op de markt zullen komen. DSM zocht het voor u uit.

Hoewel een acuut kopertekort bij varkens zelden of nooit voorkomt, is ook dit spoorelement noodzakelijk voor een optimale gezondheid van pas gespeende biggen. Vanuit de literatuur en de praktijk is bekend dat verhoogde koperniveaus een positief effect hebben op de prestaties van biggen. Op basis van recent onderzoek van Bikker et al. (2015) wordt geschat dat bij toepassing van de nieuwe koperwetgeving het verwachte lichaamsgewicht op 8 weken na spenen ongeveer 0,8 kg lager komt te liggen. De verminderde kopertoevoeging zal daardoor niet onopgemerkt blijven voor de varkenshouder. Zoals in de tijd van jagers en verzamelaars de koperen voorwerpen vervangen werden door brons en ijzer, zo zullen er ook nu vervangende maatregelen moeten ingezet worden.

Alternatieve koperbronnen

Mengvoernutritionisten zijn anno 2019 ijverig op zoek naar compenserende strategieën. Een route die veel de aandacht krijgt, is de inzet van alternatieve koperbronnen. Die kunnen onderverdeeld worden in anorganische en organische bronnen. De laatstgenoemde groep kenmerkt zich door een verbinding van het koper met organische stof (eiwit of aminozuur) en noteert over het algemeen een lager kopergehalte.

Aan deze bronnen wordt - vanwege de gunstige koperverbinding - een hogere biologische beschikbaarheid toegeschreven ten opzichte van het anorganische kopersulfaat. Naast het antibacteriële effect (darmgezondheid) van de verhoogde koperniveaus wordt ook het stimuleren van de voeropname (systemisch effect) genoemd. In dit laatste geval zouden juist de organische bronnen extra voordeel bieden. Het antibacteriële effect blijft anderzijds behouden omdat de verhoogde absorptie gecompenseerd wordt door de secretie van koper in de darm via de galzouten. Organische bronnen lijken op deze wijze superieur aan anorganische bronnen, hoewel laatstgenoemden over het algemeen goedkoper zijn. Leveranciers van anorganische bronnen wedden vooral op een hogere koperactiviteit in de darm als gevolg van een lagere bio beschikbaarheid.

De nieuwe wetgeving en de verschillende zienswijzen op koperbronnen waren aanleiding voor Twilmij / DSM om een literatuurstudie uit te voeren én een vergelijkingsproef met pas gespeende biggen op te zetten: hoe oordelen de biggen er zelf over?

 

Literatuuronderzoek

In een voorafgaand literatuuronderzoek is gekeken naar de verschillende effecten van diverse koperbronnen bij gespeende biggen. Daarbij werd per parameter de procentuele verbetering ten opzichte van het referentievoer (= met koper uit kopersulfaat) in kaart gebracht. De onderzochte parameters zijn groei, voeropname, voerconversie, lever- en bloedwaarde en biologische beschikbaarheid. Alleen de onderzoeken met gelijke koperniveaus tussen de behandelingen en de controle zijn bekeken. Onderzoeken met voeders zonder fytase of met farmaceutische niveaus van zink zijn niet meegenomen in deze studie.

Aan de onderzochte parameters is een wegingsfactor meegegeven en een score berekend voor de diverse koperbronnen ten opzichte van kopersulfaat. Het vergelijkend onderzoek, waarin ook het aantal biggen is meegenomen, laat zien dat kopersulfaat over het algemeen minder goed scoort dan de andere commercieel beschikbare vormen van koper. Organische bronnen laten hier de grootste verbetering optekenen.

 

Biggenproef

Maar denken de biggen onder praktijkomstandigheden daar ook zo over? Omdat er in de recente literatuur géén proeven te vinden zijn met een groot aantal verschillende koperbronnen, werd in het verlengde van dit literatuuronderzoek ook een praktijkproef opgezet.

Het experiment is uitgevoerd in april-juni 2019 op een commercieel zeugenbedrijf in Kootwijkerbroek (provincie Gelderland, Nederland). In totaal zijn 864 biggen geselecteerd voor de proef, die afkomstig waren uit 3 groepen gespeende biggen en elke keer een week na elkaar werden opgelegd. Deze biggen zijn gespeend op ca. 4 weken leeftijd (6,3 kg lichaamsgewicht (LW)) en werden verdeeld over 6 afdelingen met 12 dieren per hok en 1 voerbak per 2 hokken.

De biggen kregen 2 soorten voeders met 140 ppm toegevoegd koper tijdens de eerste 4 weken na spenen en daarna nog een voeder met 90 ppm toegevoegd koper tot aan het afleveren (op 6 weken na spenen). Het controle voer bevatte kopersulfaat (werd ook in de kraamstal bijgevoerd) en de vijf andere behandelingen bevatten commercieel verkrijgbare koperverbindingen (2 anorganische en 3 organische koperbronnen). Hierbij werd het kopersulfaat telkens voor 100% vervangen door een andere bron. De biggen, gewogen bij opleg, werden op basis van gewicht en toom van herkomst evenredig verdeeld over de zes behandelingen. De dieren zijn individueel gewogen op 4 weken na het spenen en aan het einde van de proefperiode. De voeropname is gemeten per twee hokken.

Van de diverse groepen zijn ook bloed- en meststalen genomen voor het bepalen van respectievelijk de koperconcentraties in het bloed en de koperretentie in het dier. Ook is er dagelijks een diarree- en bigscore uitgevoerd. Alle resultaten zijn statistisch verwerkt met behulp van SPSS.

Resultaten

In tabel 1 zijn de resultaten van de vergelijkende proef weergegeven. De voeders met de anorganische bronnen resulteerden in een numeriek hoger eindgewicht op dag 28, alsook aan het einde van de proef. Dit effect was ook zichtbaar in de verbeterde groei en de scherpere voerconversie. Qua prestaties is er ook gekeken naar het effect op lichte en zware biggen (bij spenen respectievelijk 5,6 en 6,9 kg LW). In afwijking van de algehele resultaten, resulteerde het controlevoer met kopersulfaat bij de zwaarste biggen in het hoogste eindgewicht.

De biggen die een voer kregen met een organische koperbron vertoonden een hogere retentiecoëfficiënt ten opzichte van de anorganische bronnen. Op bloedniveau waren er geen duidelijke verschillen tussen de behandelingen. Mogelijk speelt de leverhomeostase en -opslag hierin een rol. Duidelijk is wel dat een organische koperbron resulteert in een hogere retentie van koper in het dier, wat in sommige omstandigheden misschien toch extra zekerheid kan bieden (lees: verbeterde koperstatus, vermijden van tekorten).

De behandeling met kopersulfaat vertoonde de minst goede mestscore. De druk op darmgezondheid, zichtbaar in een minder goede diarree score tot dag 10 na spenen, was mogelijk de reden dat de anorganische bronnen sterker naar voor kwamen. Het systemisch effect van koper is in de proef door deze omstandigheden mogelijk wat naar de achtergrond verdwenen, versterkt door het feit dat de voeropname voldoende gestimuleerd wordt door toepassing van diverse additieven (lactose, zoetstoffen etc.). Openstaande vraag voor vervolgonderzoek is of dergelijke effecten ook zichtbaar zijn bij lagere koperniveaus (< 25ppm).

Tabel 1. Het effect van verschillende koperbronnen op technische resultaten, bloedconcentratie en retentie coëfficiënt bij pasgespeende biggen.

Conclusies

In vergelijking met kopersulfaat liet geen enkele van de onderzochte koperbronnen een significant hogere voeropname en groei noteren. Op basis van dit onderzoek kan dan ook geconcludeerd worden dat onder deze specifieke omstandigheden en op basis van de toegepaste koperniveaus, alternatieve koperbronnen - gelet op de dierprestaties en de economische analyse - geen directe meerwaarde bieden tijdens de speenfase.

Deze conclusie kan ook vertaald worden naar een advies voor bedrijven met soortgelijke omstandigheden. Het toepassen van de juiste koperbron kan echter niet los gezien worden van andere voermaatregelen, zoals grondstof- en additievenkeuze samengevat in het Ultimo 2.0 en het Gezond Groeien 2.0 biggenvoerprogramma van Twilmij / DSM.

Voor verdere vragen en details van dit onderzoek kan u terecht bij uw contactpersoon in Stroe of in Deinze.

ir. E. van Lagen